Dialecten in Oost-België

De dialecten in Oost-België zijn ontsproten uit het Brabants-Nederfrankische en Rijnlandse dialectgebied. Deze talen ontstonden al in het eerste millennium en evolueerden onophoudelijk. Voor de taalgeschiedenis is de 16de eeuw van groot belang: toen lieten auteurs de middeleeuwse schrijftalen die zich op dialecten baseerden varen. Voortaan werd de standaardtaal in toenemende mate in geschriften gebruikt: Duits in Oost-België, maar ook Frans en Nederlands (respectievelijk Limburgs en Brabants). Een gelijkaardig proces voltrok zich overal tussen de Atlantische Oceaan, de Noordzee en de Alpen.

In de dorpen van de Belgische Eifel is het aantal dialectsprekers nog relatief groot. Een aanzienlijk deel van de ouders spreekt er nog dialect met hun kinderen. In grotere gemeentes en in St. Vith is het aantal dialectsprekers aanzienlijk kleiner. In het noorden van Oost-België praten jongeren nauwelijks nog dialect. Dit alles laat zien dat het kwijtspelen van het dialect zich ook in Oost-België voelbaar voltrekt. Redenen hiervoor zijn onder meer de instroom van mensen die niet van Oost-België afkomstig zijn, de grotere mobiliteit binnen Oost-België en relaties tussen partners van wie een van beide geen dialect (meer) beheerst. Maar vooral de sociale functie van het dialect verzwakt voelbaar, d.w.z. in het leven van alledag (school, overheid, winkels, enz.) wordt er almaar minder dialect gesproken.

De teloorgang verloopt nochtans trager dan in de jaren 1980 voorspeld. Dat heeft ook met het aanzien van het dialect te maken; tot in de jaren 1980 gold het dialect niet alleen als taal van de ongeschoolden, maar werd het in het bijzonder door germanisten tot zondebok van het verkeerd gebruik van het Hoogduits in Oost-België bestempeld. Nochtans waren er heel wat redenen voor het vaak verkeerd gebruik van het Duits:

  • Talrijke leerkrachten die van elders afkomstig waren met een vaak ontoereikende kennis van het Duits (o.a. in de provincie Luxemburg) hadden tussen 1920 en 1970 een aanzienlijk gedeelte van het onderwijzend personeel uitgemaakt. Hierdoor kwam het tot een politiek gemotiveerde, vertraagde gewenning van deze minderheid aan de Duitse standaardtaal. Ook werd correct gebruik van het Duits bemoeilijkt door het veelvuldig gebruik van het Frans in openbare diensten en bestuur. Andere motivatoren van het Hoogduits, zoals de pers en de Kerk, konden deze tekorten niet of onvoldoende compenseren.
  • Tot in de jaren 1990 moest een minderheid van de schoolstarters in de Belgische Eifel op de leeftijd van zes jaar voor het eerst het Hoogduits op school verwerven, omdat ze tot dusver alleen dialect gesproken hadden.
  • Vanzelfsprekend leidt de overname van heel wat Platduitse woorden en grammatica naar het Hoogduits tot taalkundige onnauwkeurigheden. Deze zijn in Oost-België in elk geval niet groter dan in andere streken met een dialectachtergrond.

Sinds de jaren 1990 wordt het dialectverlies verder vertraagd, omdat het spreken van het dialect in de Belgische Eifel opnieuw aan populariteit wint. Vooral in de Belgische Eifel wordt het dialect als een verbindend middel beschouwd dat een innerlijke kracht weerspiegelt. Wat dit inhoudt, toont Vlaanderen: de Vlaamse omroep VRT zet in veel series een Vlaams getinte standaardtaal in om hiermee de identiteit van de Vlamingen te bevorderen.

Dialectgebruik kan daarentegen ook tot uitsluiting van niet-dialectsprekenden leiden. Deze laatsten zijn ervan overtuigd dat het verwerven van een dialect, in tegenstelling tot een  standaardtaal, slechts met veel moeite mogelijk is.

Het dialect wordt in Oost-België meestal met ‘platt’ (zowel in het Hoogduits als in het dialect ook met ‘Plattdütsch’) en streektaal (in het Hoogduits) aangeduid. ‘Platt’ betekent oorspronkelijk ‘duidelijk, recht voor de raap, ongepolijst'.

Oost-België telt drie dialectgebieden:

  • Het Zuidnederfrankische dialectgebied ligt tussen de Ürdinger linie (ik/ich) en de Benrather linie (maken/machen).
  • Het Ripuarische taalgebied situeert zich tussen de Benrather linie (maken/machen) en de Eifel-linie (dorp/dorf).
  • Het Moezelfrankische dialectgebied ligt tussen de Eifel-linie (dorp/dorf) en de  Sankt-Goarse linie (dat/das).

Wat dialectgebruik betreft, neemt de gemeente Recht een speciale plaats in. Haar aparte vorm gaat terug tot de immigratie van Tiroolse steenhouwers in de 18de eeuw.

Binnenin deze dialectgebieden komen er heel wat plaatselijke dialecten voor. Door de grotere mobiliteit van de jonge mensen nemen de verschillen sinds de jaren 1970 merkelijk af. Lokale inwoners vallen deze vaak subtiele verschillen nog op. Dialectgeografisch onderzoek visualiseert deze verschillen op taalkaarten.

Een belangrijk kenmerk van de Oost-Belgische dialectgebieden is de invloed van het Frans en in het bijzonder het Waals door middel van leenwoorden (bijvoorbeeld ‘Makei’ voor yoghurt). Ook het Waals in de streek van Malmedy bevat talrijke leenwoorden uit de Duitse taal en dialecten (bijvoorbeeld ‘Brötchän’ voor Brötchen (broodje)).

 

Leestips:

Elmar Neuß, De lange weg naar de Duitse schriftelijke en cultuurtaal. Over volkstalen, schrijftalen en taalwording in taalcontactzones, in: Carlo Lejeune, David Engels (uitg.), Grenservaringen. Een geschiedenis van de Duitstalige Gemeenschap van België, Deel 1: Villa’s, dorpen, burchten (oudheid en middeleeuwen), Eupen 2013, p. 180-197.

Elmar Neuß, Hoe de moderne schrijftalen de oudere schrijftalen langzaam verdrongen. Vragen over een tot dusver nauwelijks in acht genomen onderzoeksveld aan de taalgrenzen, in: Carlo Lejeune (uitg.), Grenservaringen. Een geschiedenis van de Duitstalige Gemeenschap van België, Deel 2: Lakens, potten, Theresiaans kadaster (1500-1794), Eupen 2015, p. 224-237.

Robert Möller, In het tijdperk van de nationale talen. Taalontwikkeling in de politieke en taalkundige grensstreek tussen Maas en Rijn, in: Carlo Lejeune (uitg.), Grenservaringen. Een geschiedenis van de Duitstalige Gemeenschap ban België, Deel 3: De Code civil, versnelde moderniteit en dynamieken van volharding (1794-1919), Eupen 2016, p. 230-251.

Robert Möller, De minderhedentaal als politiek feit. Bescherming of verdringing van het Duits in de ‘cantons rédimés’, in: Carlo Lejeune, Christoph Brüll, Peter Quadflieg (uitg.), Grenservaringen. Een geschiedenis van de Duitstalige Gemeenschap van België, Deel 4: Staatswissel, identiteitsconflicten, oorlogservaringen (1919-1945), Eupen 2016, p. 348-363.

zurück zur Übersicht